Imágenes de página
PDF
ePub

oog zouden vallen en hield hij het puntdicht waarover hij trouwens ook niet aangevallen was door de naamverandering voor voldoende bedekt?

[ocr errors]

En eindelijk: JAN VOS hield JAN ZOET voor den schrijver van de Mot in't Vossevel, en het puntdicht nr. 287 „'k Zat op een ezel" slaat op dit pamflet. Een andere vraag is, of J. Vos met zijn vermoeden gelijk had. Dat is voorloopig niet uit te maken, maar toch wensch ik er op te wijzen dat de argumenten er tegen, die de heer ZUIDEMA (Oud-Holland XXIII 183) aanvoert, m. i. niet steekhoudend zijn. De drie predikanten der Staatskerk worden in de Mot in't Vossevel niet warm verdedigd, er wordt slechts aangetoond, dat hun oranjegezindheid de reden is geweest voor de vijandige houding van JAN VOS tegen hen, hetgeen de oranjeman JAN ZOET best kon schrijven. En dat er geen woord van Oene gerept wordt? Gesteld JAN ZOET was de schrijver, zou hij zich door Oene er bij te halen niet onmiddelijk verraden hebben? In één geval echter kan J. ZOET onmogelijk de schrijver van de Mot in't Vossevel zijn: als hij namelijk de dichter van „het Oproer in Rochel" is, dat onder zijne gedichten is opgenomen (Werken 1714 p. 189). De schrijver van de Mot in't Vossevel immers houdt dit gedicht voor een verfoeilijk product van JAN Vos, het kan dus niet van hem zelf zijn. Maar het is niet waarschijnlijk, dat de felle oranjeklant dit anti-oranje gedicht geschreven zou hebben, al heeft hij, de Amsterdammer, juist in dezen tijd in zijn gedicht op de Bikkers graaf WILLEM aangevallen (vgl. Zuidema 1. c. 87). Het gedicht wordt dan ook met meer waarschijnlijkheid aan VONDEL toegeschreven.

Met de t'Samenspraeck was de polemiek over JAN VOS nog niet geheel geeindigd; in een volgend pamflet,,Utrechts Schuyt-Praetjen over den droevigen toestant omtrent de Kerckelijke oneenigheden der Stadt Utrecht 1660" (KNUTTEL nr. 8433) werden naast verscheidene blauwboekjes over de theologische kwesties ook de Mot in't Vossevel en de t'Samenspraeck in een voor J. Vos en J. MEERHUIZEN zeer hatelijken toon besproken, en allerlei over hen beiden verteld. Opmerking verdient, dat hier JAN VOS met den,,vermaerde in botheyt Broer CORNELIS" vergeleken wordt, evenals hij in het aangehaalde grafschrift JOHANNES TEELING met Broer CORNELIS vergelijkt. Bestaat er samenhang tusschen deze twee vergelijkingen, en zoo ja, welke is de oudere? En nog een pamflet schijnt zich met deze zoo uiteenloopende zaken bezig gehouden te hebben; er wordt nl. in het Schuytpraetjen nog genoemd een weerstuyt tegen de schenders van JAN Vos, waer mede met een van de schuldighe plicht der Dienaers Godes verhandelt wort, datse haer Leer en Geloof wel scherpelyk moeten prediken." Dit heb ik echter niet kunnen terugvinden. Het zou wel interessant zijn te weten, wat er in stond.

[graphic]

Nalezing der tresoriers-rekeningen van 's-Gravenhage

DOOR

EDUARD VAN BIEMA.

[graphic]

E verdere nalezing van de Amsterdamsche stadsrekeningen stuitte af op hunne veranderde wijze van teboekstelling. De totaalcijfers der onderscheidene rubrieken vervingen de vroegere zeer gedetailleerde opgaven der verschillende posten, zoodat het onmogelijk werd daaruit verder gegevens omtrent industrie en kunst te putten, ter publicatie in dit tijdschrift.

Ik meende nu van mijn verblijf te 's-Gravenhage gebruik te kunnen maken, om in het Haagsche archief gegevens van denzelfden aard te verzamelen.

Dit archief beschikt over eene serie rekeningen van Tresoriers van 's-Gravenhage, welke met kleine onderbrekingen van het jaar 1585 af tot op den Napoleontischen tijd loopt.

Deze rekeningen, keurig en uitvoerig gehouden, bevatten overvloedige gegevens, die naar ik meen de lezers van Oud-Holland belang kunnen inboezemen 1).

1) Extracten uit enkele dezer rekeningen zijn door den Heer P. A. LEUPE, gepensioneerd majoor, ambtenaar bij het Rijksarchief, gepubliceerd in het Archief voor Nederlandsche Kunstgeschiedenis. Men zal ze hier weder terugvinden, én terwille der volledigheid, maar ook vooral omdat hunne nauwkeurigheid wel iets te wenschen overlaat, terwijl wij hier bovendien de gelegenheid hebben ze met enkele aanteekeningen te

Rekening van den Tresorier Ludolp Michielsz.

1585.

Fol. 137.

Betaelt HERMANUS EDLER de somme van vyer ponden uyt saicke van een Calendarium perpetuum voirden Hage gemaict ende geschoncken, hangende in de burgemeesters-camer etc. IIII L.

Rekening van den Tresorier Jacob Hereman.

[blocks in formation]

Betaelt QUIRYN COENSZOON glaesmaecker de somme van twee ende veertich ponden uyt saecke op reeckeninge van seeckere glaesen by hem inde Cloveniersdoelen gemaect, etc.

[ocr errors]

XLII L.

Fol. 138.

Betaelt CORNELIS ZYBRANTSZOON de somme van vyff ponden achtien schellingen, zeven penningen obolus uyt saecke van seecker loot ende zes nyeuwe candelaers by hem tot behouff van den Hage gelevert, etc.

V L. XVIII sc. VII denn, ob.
Fol. 141 vo.

Betaelt AERNT FRANSZOON BOM1), goutsmit de somme van zeventhien ponden zeventhien schell., VII penn. obulus, uyt saecke van eenen gouden schaeckel by hem gemaict, ende by den Burgemeesteren geschoncken JACOB SPRONCXEN, bode van de Staeten van Hollandt, hem belooft van eenige dienste, by hem den Magistraet gedaen, etc. XVII L. XVII sc. VII denn, ob. Fol. 143 vo.

[ocr errors]

Betaelt ANTHOENIS VERSTREPEN de somme van negenthien ponden vyff schellingen uyt saecke van twaelff flambeaux voor den Hage gelevert, etc.

XIX L. V. sc.
Fol. 161 vo.

Betaelt MR. JAN horologiemaecker tot Delft de somme van acht ponden uyt saecke van seecker werek by hem gerepareert ende gemaeckt aent horologie van den Hage. VIII L. Fol. 163 vo.

[ocr errors]

Betaelt ARENT FRANSZOON BOM, goutsmit de somme van vijff ponden, zes schellingen uyt saecke van diversche merckysers by hem gemaect tot behouff van den Haege, etc. V L. VI Sc.

[ocr errors]
[ocr errors]

1) ARENT FRANSZ Boм, goudsmid, was 1580-8 vroedschap. Hij was ook waard in de „Herberge van de Swane", de prinsen van Portugal met hun gevolg vertoefden ten zynent van April tot November 1597. Zijn werk was zeker goed, immers met SIMON ADRIAENSZ. vervaardigde hij in 1597 twee gouden kettingen waarmede de heeren gezanten van den koning van Denemarken vereerd werden.

Fol. 165.

Betaelt HEYMAN GILLISZOON de somme van een ende twintich ponden uyt saecke van een nyeuwe bancke, met twee deuren by hem gemaeckt in schepenscaemer, etc. .

1588.

XXI L. Fol. 116.

Betaelt QUIRYN COENSZOON, glaesemaecker de somme van achtien ponden uyt saecke van vier nyeuwe glaesen by hem gemaeckt, ende van 's-Haechs wegen waeren geschoncken ten huyse van den bailliu van den Hage1) etc.. XVIII L. Fol. 138 vo.

Betaelt AERNT FRANSZOON BOM, goutsmit de somme van een ende twintich ponden, thien schellingen zes penningen uyt saecke van diversche merckyzers ende twee silvere schaeckels voor den Hage gemaict ende gesneden, etc. XXI. L X sc. VI penn.

Fol. 144.

Betaelt de keyzer ende deecken van de Camer van RETHORICA (2) in den Haghe de somme van vijfthien ponden heml. tot een vereeringe toegevoucht van de vier teyckenen gedaen van de victorie voor Bergen op ten Zoom verovert, ende 't vertreck van de Spaensche vloot, etc. XV L.

1589.

[ocr errors]

Fol. 131 vo.

Betaelt die van de Camer van RETHORICA alhier in den Hage de somme van dertich ponden uyt saicke heml. by den Schout, burgemeesteren en gerechte van den Hage toegevoucht voor de costen by hemluyden gehadt op te Haechse kermisse ende voor dat zij luyden met andere cameren mede geweest zijn binnen Schiedam, ende oock tot Monster als zijne Excellentie aldaer werde gehuldigt2), etc. XXX L. Fol. 132 vo.

Betaelt FRANS REYERSZOON, cooperslager, de somme van zeventhien ponden elff schellingen uyt saecke van een nyeuwe cooperen smoorpot by hem gemaeckt voor de weescamer van den Haghe, etc. . XVII L. XI sc.

[ocr errors]

1) De bailliu DIRK VAN ZYPESTEYN, tevens bailliu van WOERDEN werd om verscheiden excessen alsmede wegens overspel enz. den 11 Mei 1590 by sententie van den Hove geschorst en in 1596 afgezet. Hij woonde zie DE RIEMER p. 46 en vlg.

*) De kamer, de Corenbloem had tot devies: „Met Geneuchten" en was in 1562 ontstaan uit de door de Regeerders van den Haag bevolen samensmelting der beide kamers: „Met Geneuchten" en „Laet vaeren Druefheydt". Hare voorstellingen hadden plaats op de Zale of in de herberg De Komeet" op de Plaats Zie v. D. BERGH 's-Gravenhaagsche Bijzonderheden I p. 10 e.v.

Fol. 136.

Betaelt DAVID CORNELISZOON, schilder, de somme van drie ende dertich ponden uyt zaecke van diversche schilderije bij hem gedaen deur 't bevel van burgemeesters tot behouft van den Hage, etc.. XXXIII L. Fol. 136.

[ocr errors]

Betaelt den deecken ende hooftmans van de Camer van RETHORICA in den Hage de somme van achtien ponden uyt saecke van de triumphe bij heml. gedaen op te Victorie ende innemen der stadt Breeda, etc.

XVIII L.
Fol. 156.

Betaelt AERNT FRANSZOON ВOм, goutsmit, de somme van negen ende dertich ponden elff schillingen drie penningen uyt saecke van diversche merckyzers mitsgaders twee goude schaeckels tot behouve van den Haege gemaect te hebben, etc. XXXIX L. XI sc. III penn.

[blocks in formation]

Betaelt QUIRYN COENSZOON, glaesmaecker 1) de somme van vier ende dertich ponden uyt zaecke van een glas by hem gemaect in de kercke van de Lier by de burgemeesters van den Hage nae voorgaende versouck van den gerechte ende kerckmeesters van den dorpe van de Lier aldaer gegeven, etc. XXXIIII L. Fol. 127.

Betaelt ARENT BOM, goutsmit, de somme van twee ponden zeventhien schell. uyt saecke van diversche merckysers by hem voor den Hage gemaekt, etc. II L. XVII sc.

Fol. 129 vo.

Betaelt GODEFROYE DU FRIEU, coperslager, de somme van vyff ponden; twaelft schellingen uyt saecke van candelaers, beckens ende anders by hem tot behouff van den Hage gelevert, etc. V L. XII sc.

Fol. 131.

Betaelt ADRIAEN DUESSEN de somma van vier ponden van twee flambeaux tot behouff van den Hage gelevert, etc. .

IIII L. Fol. 133 vo.

Betaelt JORIS ADRIAENSZOON, scrijnwercker, de somme van drie ponden uyt saecke van twintich letteren by hem gesteecken in hout om te geven de backers tot hun mercken op 't broot etc. III L.

1) QUIRYN COENSZ., „gelaesmaker in den Hage" leverde o.a. ook aan de Staten-Generaal in 1593 glazen vereerd aan den griffier CORN. VAN AERSSEN in zijn Nieuwe huyzinge"; hij woonde toen in de Spuistraat. H. Jaarb. 1900 p. 229. In 1601 komt hij voor als CRijn CoenraerDTS, aldaar p. 243.

« AnteriorContinuar »