Imágenes de página
PDF
ePub

bijgewoont, aen ende present geweest. Presenterende dierhalven dese haere verclaringe ten allen tijde, desnoots ende versoght synde met eeden te stercken. Aldus gedaen ende gepasseert in 's-Hage ter presentie van AERNOUT LE MAIRE de jonge ende FREDERICK HEMPEL als getuijgen hiertoe versoght.

AERNOUT LE MAIRE
FREDERIK HEMPEL

Quod attestor

MARIA JANSSENS
LUCAS JANSSENS

J. v. CASTEL, nots publ.

Ik heb nog getracht door de vriendelijke hulp van Jhr. W. J. P. VAN DEN BOSCH, Ie kamerheer van H. M. de Koningin, te weten te komen, of wellicht het beeld voorstellende de vier winden, waarvan in de acte sprake is, nog op 't Loo of elders aanwezig is; echter zonder resultaat. Zou dat ook wellicht door de aarde bedolven zijn evenals het beeldhouwwerk dat voor eenige jaren op het Loo is opgegraven?

Het vervaardigen van het fraaie monument voor den schout-bij-nacht JOHAN VAN BRAKEL, waarvan een afbeelding voorkomt in DR. CALLENBACH'S werk over de Groote Kerk te Rotterdam, was geschied ingevolge marginale beschikking van prins WILLEM III, koning van Engeland, gedateerd 22 October 1691, op verzoek van JOHANNA VRIJMOET, weduwe van den schout-bij-nacht. In 1693 vervaardigde hij ook nog voor den prins een wapenschild voor diens heerlijkheid Princenland.

Verder vond ik eveneens bij notaris VAN CASTEL 26 Februari 1704 een acte waarbij HARMANUS VAN GULICK, Mr. Silversmit, verklaart schuldig te zijn aan SR. AERNOUT LE MAIRE, Generaliteytsbode, als voogd over JOHANNES BLOEMENDAEL JR., de somme van f100, spruitende uit een legaat, door GRIETJE PIETERS, huisvrouw van CLAES JANSSEN, aan hem bij testament gemaakt.

FRANÇOIS BLOEMENDAEL wordt hierin niet meer als voogd genoemd. Hij was zeker dood, want 5 April 1704, transporteert en cedeert zijn weduwe CHRISTINA VELTHUIJSEN alle penningen haar competeerende over moeders goederen, uithoofde van preferentie tegens de crediteuren van haar voornoemden man saliger vader, en wel over een somma van 51 gulden, die zij voor huishuur verschuldigd is aan BRUIJN VAN 'S HEERENBERGH, mi'sgaders nog 't surplus dat bij de verkooping van 5 beelden en een kindje, thans in handen van CHRISTIAEN COPER te Leiden, als pand ter minne zal overschieten. Hieruit blijkt ten over vloede, dat de boedel van BLOEMENDAAL niet in goeden staat was en zijn kinderen de moeilijkheden daarvan ondervonden.

NASCHRIFT.

Opmerkzaam gemaakt door Mejuffrouw VAN STRAATEN, volontaire aan het Gemeente-Archief te 's-Gravenhage, kwam ik nog in het bezit van een acte gepasseerd voor notaris MELCHIOR VAN AERSSEN, den 23 Mei 1702. Hierin transporteert JOHANNES BLOMMENDAEL, beeldhouwer in den Hage aan Monsieur ARNOLDUS VERBUIJS, schilder in den Hage, de navolgende goederen, „in voldoeninge van een somme van drie hondert een en twintig gulden, hem VERBUIJS over geleverde schilderijen en bij hem BLOMMENDAEL ontfangen, competerende" en welke goederen tegen de daarachter vermelde prijs gewaardeerd zijn.

Twee beddens, twee peuluwen, vier kussens en vier deeckens, ter somme van

[merged small][ocr errors][ocr errors][merged small]

Een spiegelglas van vijf vierendeel met een gesnede lijst ter somme van
Ses groene laeckens stoelen ter somme van

[ocr errors][merged small][ocr errors][ocr errors][ocr errors][merged small]

Twee paer gordijnen met twee valletiens ter somme van.

Twee gepleysterde beelden, een de Grieksche Venus en d'ander
Faunus, een leggende leeuw, alles soo groot als 't leven,

ter somme van. .

Twaelff schilderijen, ter somme van .

Alle het winckelgereetschap, ter somme van

Alle de modellen, teyckeningen off prenten ter somme van.

[merged small][ocr errors][merged small][merged small][ocr errors][merged small][merged small]

Indien BLOMMENDAEL binnen 6 maanden deze somme van 349 gld. terugbetaalt zal hij de goederen terug ontvangen. Na dien termijn zullen zij echter het volle eigendom van VERBUIJS blijven.

BLOMMENDAEL en VERBUIJS teekenen beiden deze acte. Ook hieruit blijkt de geldverlegenheid waarin BLOMMENDAEL zat en welk een kunstverzamelaar hij was.

[graphic]

De polemiek over de vertooningen van Jan Vos in 1660

en

De t'Zamenspraeck van Jan Tamboer en Jan Vos

DOOR

E. F. KOSSMANN.

I.

[graphic]

N Juni 1660 bracht MARIA STUART, de weduwe van WILLEM II, met haren zoon, den lateren WILLEM III, op uitnoodiging van den raad der stad een bezoek aan Amsterdam. Dinsdag den vijftienden werden de vorstelijke personen door de Amstelsche Ridderschap plechtig ingeleid (waarvan wij een weliswaar niet geheel betrouwbare afbeelding bezitten1)); op Woensdag den 16en werden zij in het Heere-Logement onthaald; den volgenden dag, Donderdag 17 Juni, had er op den Dam en door de stad een optocht in allegorische wagens plaats; den 18 Juni bezochten de vorstelijke gasten den Amsterdamschen Schouwburg, waar het Ontzet van Leiden met de vertooningen van JAN Vos gegeven werd'); de verdere feestelijkheden vindt men vermeld in L. v. AITSEMA, Historie of Verhael van Staet en Oorlogh IX 933 sq.

Omtrent den optocht van 17 Juni onderricht ons nader de,,Beschrijving

1) Atlas van STOLK nr. 2285.

der Vertooningen op de Staatcywagens, die voor Mevrouw Hare Kon. Hoogh. de Princes van Oranje &c en Haar Zoon zijn Hoogh. de Prins van Oranje &c door order van de... Burgermeesteren der Stadt Amsterdam op de Markt vertoont zijn en door de Stadt reden, toen Hare doorluchtigste Hoogheden het Raathuis met Hare tegenwoordigheit vereerden. Door Jan Vos. 't Amsterdam, by Jacob Lescaille... Met speciael consent der... Burgermeesteren" (KNUTTEL nr. 8387, ook in JAN VOS Gedichten 1662 p. 637 sqq). Deze vertooningen bestonden uit twintig wagens, van welke JAN Vos de eerste elf, die grootendeels op het huis STUART betrekking hebben, voor deze gelegenheid nieuw samengesteld had, terwijl de laatste negen reeds het jaar te voren, bij het bezoek der Keurvorstin van Brandenburg met hare moeder, waren gebruikt (KNUTTEL nr. 8183, J. Vos Gedichten 1662 p. 613 sqq).

Deze optocht, waaraan de auteur JAN VOS zelf te paard deelnamı, gaf aanleiding tot veel gepraat. Het werd algemeen opgemerkt, dat de prinses zich bij het gezicht van den derden wagen, waarop JAN Vos de smakeloosheid had gehad de terechtstelling van haren vader KAREL I voor te stellen, vol afschuw en schrik afwendde (vgl. AITSEMA 1.c.), en men meende te weten, dat JAN Vos daardoor alle kans op een verwachte belooning verspeeld had. In hoever dat waar was, is voor ons moeilijk uit te maken. Eenerzijds kan het vers van JAN VOS „Vos krygt geschenken en de Preeker wordt gebannen", zooals aanstonds aangetoond zal worden, alleen op deze gelegenheid betrekking hebben. Ook schijnt voor eene belooning te spreken, dat, toen de prinses een half jaar later stierf, J. Vos haar bezong met zijn „Traanen over de doodt van H. K. H. Mevr. MARIA STUART enz". Maar het gouden beeld van FREDERIK HENDRIK, door hem van AMALIA VAN SOLMS ontvangen, waarop hij in dat gedicht zinspeelt en waarvoor hij in de Plichtvaarzen aan H. H. Mevr. de Princes Douariere van Oranje enz❞ zijn dank uitsprak, had hij vermoedelijk het jaar te voren bij het bezoek van LOUISE HENRIETTE met hare moeder aan Amsterdam voor zijne vertooningen gekregen en mogelijk is dus ook, dat de zooevengenoemde,,Traanen" meer voor de goede verhouding van JAN Vos tot AMALIA dan tot MARIA bewijzen. En vooral is de aanduiding in de,,t' Samenspraeck”, dat JAN VOS niet de vereering ontving, die hij meende te mogen verwachten, zooals wij zullen zien, een gewichtige getuigen is.

De scherpste uitdrukking vonden de aanvallen op JAN VOS in twee anonyme pamfletten, die binnen een maand na de Vertooningen verschenen. Het

Jan Vos. Tot Amsterdam. Uit de Boekwinkel van Jan van Duisburg"), bestaat uit drie gedichten Den herdoopten JAN Vos”, „Delvenaars berouw over 't bezichtigen van de achtien (sic) Staatcijwagens t'Amsterdam" en „Den vermaarden Poeët JAN Vos rijdende te paart voor de Amsterdamse staatciwagens". JAN VOS wordt hier uitgemaakt voor een Jan Jansen, Jan Vod, een door; een vos, een vlegel, een vaarzeroover die uit den Ezelsploeg van lamme Poezy, door kermispronk van vaarzen, heel Amsterdam stoffeert met wisjes voor er naarzen"; een veinzer en een eerbekladder; omkoopbaar, nu Prins nu Staats nu Royaals gezind; hij reed voor de wagens met het gezicht van een, die is gedoemt ter galg, „Zijn mantel hing gelijk de mantel van Sint Maarten,

„Die op zijn ezel rijdt en milt zijn gaven deelt".

De oorzaak van zijn bedroefd gezicht was, dat hij, die vroeger gezegd had, dat WILLEM II zoo jong al te oud gestorven was, nu tot lof van Willem op moest zingen - want JAN is noit in't hert een Princeman geweest".

Dit laatste verwijt is het hoofdonderwerp van het andere smaadschrift ,,De Mot in't Vossevel. Of gemeene 't Zamenspraek voorgevallen tusschen Koenraed Stuurrecht, Schipper en Hans Klopuit, Bontwerker. Bij een gestelt door I. R. In's Gravenhage... 1660". (KNUTTEL nr. 8389). De oranje-gezinde vertooningen zijn de aanleiding om JAN VOS voor de voeten te werpen, wat hij vroeger voor schade heeft gedaan „aan een schone en koninklijke Rozelaer en een zeer waarde en Prinselijke Oranjeboom." Er worden als antiprinsgezinde uitingen van JAN VOS voor den dag gehaald, afgedrukt en besproken 1) de, Herstelling der Bikkers" van 1650 (waarin ook het in het eerste painflet genoemde vers over den dood van WILLEM II voorkomt), 2),,de Bynamen der Blokhuizen" van 1650 en 3) twee coupletten uit de „Vertooningen op de Vrede tusschen Engeland en Nederland" van 1654 (KNUTTEL nr. 7530)2). De zoo natuurlijke tegenstrijdigheden tusschen den Amsterdamsch gezinden dichter van 1650 en den officieelen feestredenaar van 1660 worden tot in het kleinste detail booswillig naar voren gehaald en hoonend den volke getoond. Op bladzijde 17 begint het gesprek over een andere toen

1) KNUTTEL nr. 8388, grootendeels herdrukt in J. A. WORP, Jan Vos p. 126. Het verdient aandacht dat de drukker juist dezelfde is, die twee jaren te voren de eerste verzameling der gedichten van JAN VOS (zonder, diens permissie?) had uitgegeven.

2) Men weet dat het auteurschap van JAN Vos voor de eerste twee dezer gedichten niet vaststaat. Heeft de paskwillant voor zijn aanklacht de oorspronkelijke blauwboekjes gebruikt (er bestaan drukken van de Herstelling der Bikkers met de Bynamen der Blokhuizen samengedrukt z. KNUTTEL nr. 6885), dan zou de toewijzing dezer aan J. Vos op zijn rekening te zetten zijn, want die boekjes zijn anonym. Waarschijnlijker is echter, dat hij de door J. v. DOESBURG verzamelde Dichtkunst van JAN Vos. Amsterdam 1658" voor zich had, waar

« AnteriorContinuar »